Defibrillator moet de wijk in

Terwijl de verzamelde internationale cardiologie broedt op het al dan niet aanpassen van de Richtlijn Reanimatie, later dit jaar, probeert AMC-cardioloog Ruud Koster juist in doodgewone woonwijken defibrillatoren op te hangen. ‘Want de grootste potentiële winst na een hartstilstand boek je vóór er een medische professional ter plaatse komt.’

Het kan verkeren. Tien jaar geleden vierden AMC-cardioloog Ruud Koster en collega’s met trots de introductie van de eerste Automatische Externe Defibrillator, kortweg AED, in een politieauto. Er was het nodige aan voorafgegaan. Zo zag de Inspectie voor de Gezondheidszorg het eerst helemaal niet zitten, die ‘dokterende politiemensen’. Toenmalig minister van Volksgezondheid Els Borst moest dan ook officieel de wet veranderen om het defibrilleren – tot dat moment een ‘voorbehouden handeling’ – officieel aan een niet-medicus over te laten.
Ook de politieagenten zelf stonden niet te trappelen. ‘Daar zijn wij niet voor’, kreeg Koster meer dan eens te horen. ‘Maar kijk nou eens wat er op jullie auto’s staat’, riep hij dan, ‘1-1-2, daar red je levens mee! Nou als je ergens ook levens mee redt dan is het dit apparaat wel.’ Om de laatste weifelende agenten over de streep te trekken, werd ook op dit punt de wet aangepast. De politiek besloot dat alle politieauto’s een AED aan boord moeten hebben. Tot slot moesten de pleitbezorgers voor de defibrillator ook de nodige weerstand overwinnen bij de medische professionals, bijvoorbeeld op de ambulance. Die vonden dat hun expertise en opleiding te grabbel werden gegooid wanneer leken nu ineens hetzelfde werk konden doen als zij.

Buiten kantooruren
‘Al die weerstanden zijn in tien jaar tijd gelukkig stuk voor stuk overwonnen’, stelt Koster tevreden vast. De AED heeft zich bewezen als een absoluut veilig apparaat. Na het aanbrengen van de elektroden op de borst van een slachtoffer kan de AED geheel zelfstandig beslissen of er wel of geen stroomstoot moet volgen. ‘De gezondheidswinst is dan ook evident’, zegt Koster. ‘Waar vroeger ongeveer negen procent van de mensen een hartstilstand overleefde, is dat nu bijna twintig procent. Als je de resultaten van ons onderzoeksgebied in Noord-Holland naar heel Nederland vertaalt, redt de AED ruim duizend levens per jaar.’
Koster blijkt op dit punt een rasoptimist. Het glas is nog niet eens half vol, het is gewoon nog voor tachtig procent leeg! Maar ook voor de tachtig procent van de mensen die een hartstilstand niet kunnen navertellen, liggen er grootse plannen. De AED’s zitten nu in politie- en brandweerauto’s, ze hangen in openbare gebouwen zoals NS-stations en ook bij verschillende bedrijven, zoals de supermarkten van Dirk van den Broek. Maar een belangrijke beperking zag Koster laatst heel treffend geïllustreerd toen hij naar het gemeentehuis van Hoorn ging, om daar over een nieuw onderzoek te praten. ‘Op de glazen schuifdeuren bij de ingang zaten twee stickers. Naar links schoof het groene symbooltje met het hart en de bliksemschicht er doorheen: “AED aanwezig”. Naar rechts schoven de openingstijden: “van 08.30 tot 17.00 uur”. Daar sta je dan als je buiten kantooruren iemand met een hartstilstand wilt helpen.’ Vandaar dat Koster c.s. hun pleidooi voor verspreiding van de AED onverminderd voortzetten: de defibrillator moet de woonwijken in.

Binnen zes minuten
Koster: ‘Driekwart van de hartstilstanden vindt plaats in de woonomgeving. Als we nu eens de bekende zes minuten uit de spotjes van de Hartstichting als norm nemen, dan komt de ambulance maar in twee procent van de gevallen op tijd. De politie is iets eerder, die redt het in negen procent van de gevallen. Dus als je niet naast een station of een “Dirk” met AED woont, of het is al sluitingstijd, dan moet er iets anders voorhanden zijn: een kastje met een AED op de hoek van de straat!’
En dat is dus precies het onderzoek waarvoor Koster op bezoek was in het gemeentehuis van Hoorn. ‘Stel het je zo voor: als de meldkamer een telefoontje krijgt over een mogelijke hartstilstand, dan treedt er een sms-systeem in werking. De computer heeft de mobiele nummers van een aantal geregistreerde vrijwilligers binnen een bepaalde straal rond het slachtoffer. Zij krijgen een bericht: ga naar dit adres om te reanimeren. Een tweede bestand van vrijwilligers is opgeleid om de AED te bedienen. Die mensen krijgen een sms met een code waarmee ze de kast met de defibrillator kunnen openen, waarna ze ook naar het betreffende adres worden gestuurd. Volgens onze berekeningen zou je dan in een kwart van de gevallen binnen zes minuten bij een slachtoffer kunnen zijn. Anders gezegd: de overleving van krap twintig procent zouden we dan kunnen optrekken tot misschien wel de helft. Want ook na die zes minuten kun je mensen nog wel degelijk redden.’
Inmiddels is een dergelijk experiment in Noord-Holland Noord en in Twente gaande. Toch vreest Koster dat er nog het nodige water door de Amstel zal gaan voor de AED in de wijk net zo gewoon zal zijn als de AED in de politieauto. ‘Er is een aantal belangrijke beslissingen nodig voor dit systeem. Ik kan wel zeggen dat we hier zoveel duizend levens mee gaan redden, maar dat moet ik wel door middel van onderzoek aantonen. Tot nu toe is het onderzoek rond de AED vooral vanuit de industrie betaald. Het valt niet mee om voor een broodnodig grootschalig epidemiologisch onderzoek overheidsfinanciering te vinden.’

Even slikken
Volgens cardioloog Koster zit er ook een fundamentele omslag in het medisch denken achter de lopende experimenten. ‘Voor het eerst wordt erkend dat ook gewone burgers een structurele rol kunnen hebben in de organisatie van de gezondheidszorg, en dat is voor sommige medici en beleidsmakers misschien even slikken. Maar als je even heel nuchter kijkt, dan wordt de grootste potentiële gezondheidswinst niet in het ziekenhuis geboekt, maar op het moment dat er nog geen dokter of ambulance aanwezig is. En die winst boek je voor relatief geringe kosten. De kosten voor een AED zijn, grofweg, nog geen duizend euro per jaar voor aanschaf en onderhoud. Wie dat gaat betalen, dat wordt ook nog een discussie op zich. Misschien is dit wel een ultieme vorm van burgerzin, die juist op een laag bestuurlijk niveau van gemeente of deelraad moet worden gedragen.’

You May Also Like

Shares